Reflectie 5(4) winter 08.vp
met het ex nihilo? Maar zou de jonge Kerk, door dit wel te aanvaarden, niet óók gelijk hebben als achter God de ongeo- penbaarde Voortbrenger en Schepper van het hele universum schuil gaat? Zie ik de hemel, het werk van uw vingers, de maan en de sterren door u daar bevestigd, wat is dan de mens / sterveling dat u aan hem denkt, het mensenkind dat u naar hem omziet. Ps 8:4-5 (NBV ) Deze afsluitende versregels brengen ons tot het volgende hoofdstuk. 2. De schepping van de mens Het eerste hoofdstuk van het eerste Bijbelboek – Genesis 1 – blijkt een onuitputtelijke bron te zijn om daaruit nader in- zicht te willen krijgen over het wezen van de mens. Velen, door de jaren heen, hebben dat trachten te doen, en kwamen, zoals te verwachten, tot verschillende bevindingen. Het leidde ook tot verschillende, ‘officiële’ vertalingen van eenzelfde vers binnen eenzelfde taal, ook wanneer rekening werd gehou- den met het gegeven dat de oorspronkelijke taal van Genesis het oud-Hebreeuws is – dat later in het Grieks werd vertaald. Het Grieks werd in vele gevallen de basis van alle Westerse vertalingen., maar ook het Duits van de ‘Maarten Luther- vertaling’ van de Bijbel voor de reformatorische christenen. Het eerste deel van het zesentwintigste vers uit hoofdstuk één van het boek Genesis (Gen 1:26a) luidt in het Nederlands van drie verschillende, recente Bijbelvertalingen: God zeide: Laat ons mensen maken, naar ons beeld, als onze gelijkenis. (NBG 1952) God zei: Nu gaan wij de mens maken, als beeld van ons, op ons gelijkend (KBS 1995) God zei: Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken. (NBV 2004) Het woord ‘mens’– in het Hebreeuws ‘adam’ – is een collec- tief, dat ook’ mensheid’ kan betekenen. En ‘beeld van God’ betekent zoveel als: de mens draagt een verwijzing naar God in zich. In het volgende vers (Gen 1:27) wordt vermeld, ook hier in drie vertalingen weergegeven: En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. (NBG 1952) En God schiep de mens naar zijn beeld, beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen. (KBS 1995) God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen. (NBV 2004) Dit enkele vers (Gen 1:27) bestaat uit drie regels poëzie. Het is karakteristiek voor Bijbels verhalend proza dat de verhaal- vorm soms onderbroken wordt door dichtregels om een be- langrijk moment te accentueren. In elke regel staat het werk- woord ‘scheppen’, in totaal dus drie keer – een Bijbels rond getal – als om te onderstrepen dat het scheppingswerk zijn hoogtepunt bereikt heeft. De strekking van de tweede regel van dit vers is niet dat de mens een man is, ook al staat hier ‘hem’. Ook in het Hebreeuws is ‘mens’ een mannelijk woord. De uitdrukkelijke boodschap is dat de mens ‘manne- lijk en vrouwelijk’ is, zoals de derde versregel te verstaan geeft, al wordt dat in de derde, nieuwste vertaling van 2004 (NBV) niet zó opgevat. De verteller heeft mogelijk iedere zweem van dominantie van de man over de vrouw, of omge- keerd, willen vermijden. Volgens de Midrasj – de gezaghebbende exegese van de Hebreeuwse Bijbel – bestond de mens oorspronkelijk uit twee helften: de een mannelijk, de ander vrouwelijk (androgyn). Daartoe geeft Gen 5:2 wel aanleiding, hoewel de NBG-verta- ling hieraan voorbij gaat (Man en vrouw schiep Hij hen), ter- wijl de latere, hier weergegeven vertalingen (Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen) – KBS, en (Mannelijk en vrouwe- lijk schiep hij de mensen ) – NBV, ook wel de androgyne mens zouden kunnen bedoelen. Waar hier sprake is van het beeld en de gelijkenis (in vers 26a), zou het gaan over de gehele mens – niet over een deel ervan als geest, of ziel of lichaam. En bovendien betreft het hier elk mens, niet zoals bij voorbeeld in Egypte waar alleen de farao het levende evenbeeld was van de godheid. He- breeuwse werkwoorden voor maken ( asa ) in vers 1:26 en scheppen ( bare ) in vers 1:27 verschillen overigens wel, maar hebben dezelfde betekenis. In beide scheppingsverzen van dit eerste scheppingsver- haal (in Gen 1) staat dat man en vrouw ‘naast elkaar’ worden geschapen; en daar komt geen materie aan te pas. Dit is in te- genstelling tot het tweede scheppingsverhaal (in Gen 2:22) waar de schepping ‘na elkaar’ plaats vindt: eerste de man, dan de vrouw; en bovendien maakt hierbij de schepper gebruik van materie . Maar in beide verhalen wordt de mens pas ge- schapen nadat hemel en aarde op orde zijn gebracht. Dat aan het eerste scheppingsverhaal van de mens geen ma- terie te pas komt, pleit voor de idee dat het wezen van de mens gelijkenis vertoont met God; en de geslachtelijkheid niet be- hoort tot het wezenlijke. De mens is dus ‘in wezen’ goddelijk. En aan de schepping van de wezenlijke mens (Gen 1:26a en 27) gaat de schepping van hemel en aarde vooraf (Gen 1:1-2:4a) en volgt daarop later (in Gen 2:4b - 5:32) de schepping van de tota- le mens, inclusief de materiële lichamelijkheid. [1a] Welke waarde moeten we toekennen aan het eerste Bijbel- boek Genesis, of nauwkeuriger aan Gen 1-2.4? Is het waar? Beschrijft het de werkelijkheid? Het boek kan zeker niet let- terlijk worden genomen: de zes scheppingsdagen (Gen 1) stro- ken natuurlijk niet met de wetenschappelijke bevindingen over ontstaan van de aarde en dat van het leven op de aarde. Het is ook goed te weten dat Genesis het resultaat is van een zeer lang proces, waarin teksten van verschillende tijden en oor- sprong bij elkaar zijn gebracht en bewerkt. Het redactieproces begon ca 1000 v.Chr. en omvatte een periode van ca. 500 jaar. Toch kunnen we aan dat eerste Bijbelboek op een enkel punt reële waarde toekennen: het voornaamste is wel dat de mens een evenbeeld is van God, in wezen dus goddelijk, maar nog niet voltooid. De mens is een zich ontwikkelend wezen. [1b]. In een fascinerend artikel [2] in het vorige (herfst)nummer van Reflectie, wordt veel meer dan hier boven diepgaand ge- schreven over het eerste Bijbelboek Genesis, speciaal over het eerst hoofdstuk daarvan, de oude priestercodex, dat pas in de 6de eeuw v.Chr. ‘ontdenkt’ werd en aan de Hebreeuwse bijbel – de vijf boeken van Mozes – werd toegevoegd. Gen 1: 26 en 27 komen daarin natuurlijk ook ter sprake.
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=