Reflectie 6(1) voorjaar 09.vp
in zich, de verfijnde, helpende, genezende en beschermende kanten in het karakter van Maria, de moeder van Jezus. Deze vreemde mythe lijkt een verpersoonlijking te zijn van wat de wetenschap tegenwoordig als de ‘big bang’ is gaan aanduiden. Meteen na de uitspreiding van het universum ver- deelde de oorspronkelijke energie zich in materie en antimate- rie. Daardoor werd de dualiteit met zijn verregaande fragmen- tatie van de eenheid, geboren. Het Adam-en-Evaverhaal brengt deze kosmische proces- sen eenvoudig in beeld. Gemaakt uit Adams rib (het goddelij- ke hart) treedt zij, de vrouwelijke zijde van God, uit de een- heid in de tweeheid en creëert de tegenstellingen waar wij mee te maken hebben. Eva laat zich verleiden door de slang (de dwaling) en door het eten van de boom der kennis van goed en kwaad ketent zij zich aan de wereld van tegenstellingen. Van- af nu is er geen weg terug meer, alleen maar een weg dwars door verleidingen, moeilijkheden en strijd heen, op zoek naar hereniging met het tegendeel, de verloren eenheid. Mysteriescholen Gnostici waren de yogi’s van het Westen. Door gebed en me- ditatie verwierven zij zich kennis omtrent het mysterie, de ware wijsheid van het hart. De mysteriescholen waren gesticht om kennis omtrent het verborgene te verwerven. De beproe- vingen om door zelfkennis tot godskennis en een hogere graad van bewustzijn te komen, waren de inwijdingen, de aarde-, water-, vuur- en luchtinitiaties. Paragraaf 76 geeft een beschrijving van drie vermoedelijke inwijdingstempels. “Er waren in Jeruzalem drie gebouwen, speciaal bestemd voor de offers. Een die gericht was naar het westen, werd ‘het heilige’ genoemd. Een andere, gericht naar het zuiden, werd ‘het heilige van het heilige’ genoemd. Het derde, gericht naar het oosten was ‘het heilige der heiligen’. Doop is het gebouw van de heilige Verlossing in het heilige van het heilige. Het heilige der heiligen is het bruidsvertrek.” Het westen wordt in de symboliek gezien als de hemel- streek van demonen, duisternis en dood. De benoeming van de westerse tempel tot ‘het heilige’ wekt een bizar vermoeden. Dat wat wij demonisch, duister en dood plegen te noemen, lijkt een onmiskenbare functie in het bewustzijnsproces te hebben en verdient dus geen negatieve beoordeling. De doop kan beschouwd worden als de inwijding in het proces van onthechting of zuivering, het sterven aan behoeften en begeerten, dus ook aan demonie en duisternis. Het zuiden geldt in de symboliek als de hemelstreek van de warmte, licht, vuur, zon in de middag. De inwijdingshandeling is de zalving, inleiding tot de volkomen verlossing. In de mys- tiek is dat de verlichting. Het oosten is per traditie de hemel- streek van de opgaande zon, tegenhanger van het westen. Hier staan licht, leven, wedergeboorte en vernieuwing centraal. Dit is de plaats van het bruidsvertrek, waar de eenwording van man- nelijke en vrouwelijke energieën (geest en ziel) zich voltrekken. Paragraaf 68 zegt: “De Heer deed alles in een mysterie: een doop en een zalving en een eucharistie en een verlossing en een bruidsvertrek”. Geleerden meenden dat dit de vijf sa- cramenten waren, maar er zijn ook opvattingen die geloven dat alleen doop, zalving en eucharistie sacramenten zijn. Ver- lossing en bruidsvertrek horen daar niet bij. Verlossing, een bewustzijnstoestand, wordt bereikt door de inwerking van de sacramenten doop, zalving en eucharistie. Het bruidsvertrek is de bekroning ervan. In paragraaf 76 staat dan ook: “Maar het bruidsvertrek is datgene wat superieur eraan is.” De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat doop, zalving en eucharistie tot bewustzijnstoestanden uitnodigen, die in uitein- delijke zin worden nagestreefd in een ceremonie, maar die in hun innerlijke betekenis door de inwijdingsgraden worden ervaren. Scheuren van het voorhang Over de instelling van de Mysteriën geeft het evangelie van Philippus ook informatie. Deze handeling wordt namelijk symbolisch uitgebeeld door het scheuren van het voorhang, een gebeurtenis die centraal staat in de zeven tekenen bij het sterven van Jezus, zoals vermeld in Matt. 27:51: “En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot beneden in tweeën, en de aarde beefde, de rotsen scheurden en de graven gingen open...” Dit beeld duidt op het scheuren van de sluier tot geheimhouding, die tot dan toe over de Mysteriën had ge- hangen. Vanaf nu wordt de onwetendheid opgeheven, zoals blijkt uit paragraaf 76: “Want voordat de voorhang gescheurd was, hadden we geen ander bruidsvertrek dan het beeld van het bruidsvertrek dat boven is. Om deze reden word de voor- hang van boven naar beneden gescheurd.” Als dat klopt, is het evangelie van Philippus dus geschre- ven als gids voor een geopenbaarde mysteriedienst, open- staand voor iedereen die bereid en in staat is het hart voor de hogere werkelijkheid te openen. Nogmaals, in dat licht krijgen doop, zalving en eucharistie het karakter van daadwerkelijke verlossingsritualen, die de ziel meenemen naar het mystieke bruidsvertrek. De waterinitiatie Toen de onbekende schrijver van het scheppingsverhaal no- teerde “Gods geest zweefde op de wateren”, stond hem het beeld van de goddelijke geest voor ogen die de goddelijke ziel met zijn scheppingskracht bevruchtte. Iets dergelijks vinden we in het Nieuwe Testament, waar de Heilige Geest de maagd Maria bezwangert. Water is een beproefd symbool voor de ziel. De wateren worden gesplitst en individualiseren zich naar het voorbeeld van de dwalende Sophia. Het ondoorgrondelijke gebied van ons gevoelsleven vormt de donkere en verraderlij- ke kant van de ziel. Het doopsel is ingesteld om de dopeling van zijn dwaling te reinigen. Als initiatierituaal is de doop een gevaarlijke beproeving, bedoeld om de kandidaat te testen op de beheersing van zijn emoties. Tegelijk wil het een bezegeling zijn als bewijs dat hij of zij inderdaad innerlijk boven de emoties van de ziel staat. Dit is de tweezijdigheid van enerzijds het sacrament en ander- zijds het inwijdingsrituaal. Philippus bespreekt ze op beide ni- veaus. In de tekst leidt dat tot verwarring, omdat de lezer zich telkens moet realiseren over welk niveau hij spreekt. Bij zowel het sacrament als het inwijdingsrituaal wordt doopwater gebruikt, dat wil zeggen speciaal gewijd water. “Water is doopwater geworden doordat het door Christus is gewijd,” vertelt Philippus. ‘Dat gebeurde bij zijn doop in de Jordaan. Omdat hij de volheid van het koninkrijk der hemelen was, vervulde hij het doopwater daarmee". Dat verheft ge- woon water tot levend water, dat volgens paragraaf 101 ‘een lichaam is. “Het is nodig dat wij de levende mens aantrekken”. In paragraaf 109 licht Philippus zijn stelling verder toe. “Door het water van de doop te vervolmaken, ontdeed Jezus
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=