Reflectie 6(1) voorjaar 09.vp

Het Mysterie Eenheid: wetenschap en mystiek We kunnen stellen, dat in mystiek geen plaats is voor de su- prematie van onze ratio, d.w.z. als éérste en gezaghebbende kennisbron. Onze eerste kennisbron in mystiek is het Leven zelf, in zijn totaliteit ingekapseld in de Eenheid van het (god- delijke) Universum. Dat betekent echter niet, dat ons rationele verstand in de totaliteit van ons leven afgezworen zou moeten worden. Het hoort immers óók thuis in dat leven, zeker weten- schappelijk gezien. Toch blijft er in de ‘westerse’ wereld een zekere strijd bestaan tussen mystiek en wetenschap. In de wetenschap wordt gewerkt met objecten . En een ob- ject wordt buiten ons geplaatst om het op afstand te kunnen bestuderen en te formuleren. Mystiek, d.w.z. de beleving van een mystieke ervaring is geheel wat anders. Een mystieke er- varing of beleving is wetenschappelijk onverklaarbaar, is im- mers geen object buiten ons.‘Het mystieke’ is zélf subject én in ons subject-zijn aanwezig. Ons subject-zijn is ingekapseld in het Universele Subject, dat Mysterie waarin we bestaan. Dat is wat ik eerder in dit artikel bedoelde met ‘mystiek subject’ zijn. En een wetenschapper kan – als wetenschapper – daar niets mee, wel als mens, als hij of zij de wetenschap op het bu- reau achterlaat. Ieder mens is wetend of onwetend, bewust of onbewust een ‘mystiek subject’, bestaande in het Ene, Universele Be- wustzijn. Wij leven daarin en Het leeft in ons. Dat geldt niet slechts voor wat we noemen ‘grote mystici’. ‘Het mystieke’ is iets puur subjectiefs, maar niet te zien als iets wat niet met el- kaar gedeeld zou kunnen worden. Ik kom daar later nog verder op terug. De strijd tussen wetenschap en Mystiek (ook religie) is wel geluwd; religie als wederverbinding dan met dat Mysterie Eenheid, hoe we dat ook noemen (God of anders). De steeds verdergaande wetenschappelijke ontdekkingen werpen zelfs (misschien ongewild) een licht op dat wat met ‘het mystieke’ te maken heeft. We kunnen wetenschappelijke verklaringen gebruiken, niet om ze te bestuderen, maar om ze te betrekken bij ons innerlijk schouwen. De wetenschap ziet zich steeds gesteld voor obstakels die een grens aangeven. Dat zijn weliswaar uitdagingen, maar op een bepaald moment ziet zij zich geconfronteerd met een defi- nitieve barrière door onze beperkte, fysieke zintuigen en appa- ratuur. Zo stelde de wetenschap (m.n. de fysica) al eerder, dat achter wetenschappelijke grenzen nog een heel gebied ligt, dat nooit door wetenschappelijk werk kan worden verklaard. Die ‘Oergrond’ zal altijd buiten het bereik van het rationele blijven. Kijken we eens naar wat echte wetenschappers stellen : We kunnen geen waarnemingen verrichten zonder de ver- schijnselen zélf te verstoren (Heisenberg). Dat is duidelijk, want wanneer een verschijnsel uit zijn ‘eenheid van bestaan’ gehaald wordt, wordt het een object buiten ons … en zegt het niets meer over het ‘levende’ van zijn verschijning. Zo zegt een dood lichaam dat onderzocht wordt, niets meer over zijn mede-be-levende bestaan dat het geleid heeft. Een groot geleerde als Max Planck: De onzekerheidsfactor in de wetenschap blijkt altijd een functie te zijn van dat grote Mysterie. En hij noemde dat grootste Mysterie van alle: het constante quantum ‘h’. Hij kon het als wetenschapper ‘natuur- lijk’ niet God noemen, het Alomvattende Bewustzijn, of Der- gelijke. Ziet, hoe de wetenschap in wezen het Mysterie, het mystieke bevestigt. En ook bij volgende wetenschappelijke vondsten zal dezelfde vraag blijven bestaan: die naar het Mys- terie. En dat Mysterie verbergt zich niet, maar wil ontsluierd worden als een Maagd. En die Maagd laat zich niet bezoede- len door de ratio, die Haar als een object wil zien. Hoe mooi weer: zo Boven, zo beneden. Dat ontsluieren kan slagen, stap voor stap, door onze éérste kennisbron: onze subjectieve, innerlijke Geest, ook wel de Immanente God genoemd. Dat ‘subjectieve’ is immers tevens deel van het Universele, het Transcendente. Ik kom straks nog op dat ‘transcendente’ terug. Opnieuw een wetenschapper, James Jeans: We kunnen slechts nog spreken over verschijnselen die gehoorzamen aan de wetten van waarschijnlijkheid in plaats van die van oor- zaak en gevolg. Het enige onbetwistbare feit van het univer- sum dat we kennen, is het menselijke bewustzijn, waarmee we bekend zijn door onze directe en onmiddellijke zelfkennis. We moeten het bewustzijn zijn primaire positie teruggeven in plaats van het te zien als een complicatie in de geschiedenis van de evolutie. (vetgedrukt door schrijver dezes) Dat is klare taal, die tevens wijst op een voorwaarde om tot mystieke beleving te komen. Ons westers, analytisch denken kan de ‘Eenheid’ niet vatten en geeft slechts afgeleide kennis, en dat is maar een heel klein deel van het ‘Geheel’. De fundamentele werkelijkheid, de Eenheid, bevindt zich allereerst buiten ruimte en tijd. Ons bewustzijn bevindt zich duidelijk in die achtergrond, ons bewustzijn is die achter- grond, het Mysterie. Opnieuw Jeans: Het universum lijkt meer op een Grote Ge- dachte (een Groot Bewustzijn, F.M.) dan op een fysische machine. De fysica biedt ons slechts een symbolisch raamwerk van het universum, afgestemd op onze zintuigen , uitgedrukt in wiskundige formules , niet in nauwkeurige voorstellingen of objectieve beschrijvingen daarvan. Hoe zou een Mysterie im- mers objectief omschreven kunnen worden. We leven in dat Mysterie, bestaan daarin. Hoe zouden we het dan buiten ons kunnen plaatsen en ons subject-zijn verliezen? ‘Mystiek’: het eenheidsgevoel be-leven, verbonden zijn met dat wat we als christenen het Goddelijke noemen, verbonden zijn, deel zijn van alles in de Schepping. Zo staan, bijvoorbeeld, flora en fau- na niet buiten ons, maar ze leven in ons. En dan nog die bekende Einstein, die de gespletenheid tus- sen wetenschapper en ‘mysticus’ ervoer: De mooiste en diepste emotie die we kunnen ervaren, is de beleving van het mystieke, het is de bron van alles. Degene aan wie deze emotie vreemd is, die zich niet meer kan verba- zen en extatisch kan zijn van ontzag, is zo goed als dood. We- ten dat wat ontoegankelijk voor ons is werkelijk bestaat, zich manifesterend als de hoogste wijsheid en de meest stralende schoonheid, die onze beperkte vermogens alleen in hun meest primitieve vormen kunnen bevatten – deze kennis, dit gevoel vormt de kern van ware religiositeit . “Dat wat ontoegankelijk voor ons is”, zei hij. Ik vraag me af of dat zo is. Hij kan wel bedoeld hebben: ontoegankelijk voor onze ratio. Hij beweert immers ook, dat onze vermogens in hun meest primitieve vormen het wél kunnen bevatten. “Pri- mitief” dan, neem ik aan, in de zin van: met ons nog niet door de ratio verdrongen bewustzijn. Het Bewustzijn, dat subject is en niet object. Het aanvaarden van dit gegeven en het daarbij laten, is als het aannemen van een geschenk, maar dat nooit uit

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=