Reflectie 6(1) voorjaar 09.vp
zonden. Nadat het zoenoffer was volbracht, nam God zijn Zoon weer bij zich om naast Hem op de troon te zitten en ‘te oordelen over levenden en doden’. Zo hadden de kerkvaders van de vroege Kerk het geformu- leerd en zo was het ook in werkelijkheid. Athanasius, een van de kerkvaders, had duidelijk gesteld dat het “Woord vlees was geworden, om Zich in onze plaats aan de Vader te offeren.” Van Augustinus was de zinsnede bekend: “Christus, de zonde- loze, vergoot Zijn bloed om ons van de schuldenlast van de zonden te bevrijden.” Dat was belangrijk om te weten, want eenmaal van zonde bevrijd, was men in principe gered. Zo werd het ook in de vroege christelijke concilies van de vierde en vijfde eeuw vastgelegd. Lange tijd kon deze geloofs- belijdenis dan ook in de christelijke wereld als belangrijkste formulering van het geloof worden gezien en verkondigd. Zij gaf ook zekerheid. De zekerheid van een God die een wel- doordacht plan heeft met de wereld en die de aarde rechtvaar- dig bestuurt en leidt. Nieuwe ‘canonieke exegese’ Het was ook een constructie die de Kerken veel macht gaf, want zij bemiddelden via Jezus Christus tussen God en deze wereld. Volgens de katholieke leer zijn bovendien nog steeds alleen haar bisschoppen gerechtigd het verkeer over die brug naar God te regelen. De allerhoogste bruggenbouwer, de pon- tifex maximus , is de paus van Rome. Geen wonder dan ook dat de huidige paus Benedictus XVI het standpunt van deze vroege concilies nog steeds met verve verdedigt. Niet alleen als paus, maar, zoals hij zegt, ook als wetenschapper. Daarom heeft hij onlangs een boek uitgege- ven, waaraan hij ook als theoloog J. Ratzinger, heeft gewerkt. Het heet ‘Jezus van Nazareth’ . Centraal staat een persoonlijk zoeken dat vooral getekend wordt door een kritiek op de histo- risch-kritische exegese over het vroege christendom. “Deze exegese heeft”, zo zegt de paus, “teveel schade berokkend aan de gelovigen en moet daarom vervangen worden door een ‘canonieke exegese’.” Dat betekent: de bijbel niet wetenschap- pelijk onderzoeken vanuit objectieve, wetenschappelijke crite- ria, maar vanuit een geloofsbeslissing. Alles wat in de Bijbel te lezen staat, zowel in het Oude als Nieuwe Testament, moet gezien worden vanuit het geloof in Jezus als Zoon van God die gestorven is voor onze zonden en door God uit de doden opgewekt. De paus roept op eerst deze “Glaubensentschei- dung” te maken, want “alles Andere ist utopisches Gerede” , al het andere is utopisch gezwam. Sterker kan het niet gezegd worden. Maar klopt het? Het ontstaan van de Verlossingsleer Jezus’ dood moet voor zijn volgelingen een groot persoonlijk drama en een grote, bijna niet te verwerken, schok geweest zijn. Terwijl een groot aantal volgelingen van Jezus een ingrij- pen van God verwachtten, gebeurde dat niet. Ook niet toen Je- zus gedood werd. Hadden de machten van het kwaad over- wonnen? Dat kon niet. Dus moesten er ander interpretaties ge- geven worden aan Jezus’ dood. Het heeft ongeveer driehon- derd jaar geduurd voordat dit zijn beslag kreeg in de dogma’s waar de paus nu van uitgaat. Aanvankelijk ging men Jezus ‘de Messias’ noemen. Dat riep verzet op bij de Joodse gemeenschap, want die verwachtte ook een door God gezonden Messias, maar dan iemand die hen van de Romeinse onderdrukking zou bevrijden en hun de heerschappij over de wereld zou geven. Want Messias, in het Hebreeuws masjie’ach en in het Grieks Christos , betekende voor hen de door God gezalfde koning. Jezus was dat volgens de Joden niet. De eerste volgelingen van Jezus claimden deze titel wel, vanwege zijn leven en leer en gingen hem Jezus de Christus noemen. Het werd later, in het begin van de tweede eeuw, in de Griekse wereld hun geuzennaam: christenen. Alle christenen, ook nu, herkennen deze naam. Binnen dit oerchristendom waren vanaf het begin veel ver- schillende interpretaties hierover mogelijk. Een ervan, die de latere orthodoxe interpretatie van Jezus’ dood zou uitwerken, kwam voort uit een poging een totaal nieuwe betekenis te ge- ven aan de kruisdood van Jezus. Deze christenen gingen Je- zus’ kruisdood als een ‘zoenoffer voor de zonden’ interprete- ren. In plaats van een mislukking, was het juist zo door God bedoeld. De praktijk van het zoenoffer was bekend in het vroegere Jodendom. Jaarlijks verzoende de hogepriester de ge- zamenlijke zonden van het hele volk, door een rituele slach- ting van een lam voor God. Dit beeld was ook verbonden met dat van een zondebok waarop alle zonden van het volk werden overgedragen, om vervolgens de woestijn te worden inge- stuurd. Als Jezus gezien kon worden als het onschuldige lam of de zondebok, dan had zijn kruisdood in ieder geval beteke- nis. Met name de apostel Paulus heeft veel bijgedragen aan deze beeldvorming. Later ging men ook Jezus’ betekenis interpreteren vanuit de grote mythen die in die tijd bekend waren. In de tijd waarin Jezus leefde, was dat te doen gebruikelijk. Alle grote mensen kregen een mythisch aureool om zich heen, zowel met betrek- king tot hun geboorte, belangrijke episodes van hun leven, als hun dood. Zo zijn er in de vier evangeliën, geschreven tussen de jaren 70–100, veel parallellen te vinden met de mythe van Osiris. Zowel het in de evangeliën beschreven verraad van Je- zus, de doornenkroon en de kruisiging, als de wederopstan- ding en hemelvaart. Zij komen soms tot in details overeen met de Egyptische Osiris legende, zoals opgetekend in de pirami- deteksten te Sakkara . Voor ons een wonderlijke parallel, alsof het leven van Jezus al ver voor zijn tijd, in een mythische tijd plaatsgevonden had. Maar het idee is duidelijk: Jezus was niet zomaar een gewoon mens, maar een godenzoon met kos- mische betekenis. Omslagpunt Over de betekenis van deze verschillende Jezusbeelden wer- den voortdurend levendige discussies gehouden. De gnosti- sche christenen leverden ook een grootse en intelligente bij- drage aan het debat, zoals wij momenteel in de teksten van Nag Hammadi kunnen lezen . Maar toen het Christendom door Constantijn de Grote werd uitgeroepen tot staatsgods- dienst, moest in de kerkelijke leer eenheid gevonden worden. Hiervoor riep de keizer in het jaar 325 het eerste grote oecu- menische Concilie van Nicea bijeen, waarbij de gnostische christenen in de ban werden gedaan. De 318 aanwezige bisschoppen legden de basis voor een nieuwe geloofsbelijdenis die tot nu toe in alle orthodoxe Ker- ken geldt. Daarin werd geformuleerd dat Jezus de eniggeboren Zoon van God is, zelf ook God, wezens-een met God de Va- der. Hij werd vrijwillig mens om aan het kruis te sterven en plaatsvervangend te boeten voor de zonden van de mensen. Daarna werd Hij door God opgewekt uit de doden. Alleen wie
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=