refl7(2) zomer 2010-rechtstreeks.vp

Het Woord – de Thorah Jan Wibbelink “In den beginne was het woord, en het woord was bij God, en het woord was God. Alle dingen zijn door het Woord geworden.” Maar, wat is dat Woord? Door de lange loop van de geschiedenis der mensheid zijn ons enkele prachtige, oude geschriften be- waard gebleven. Wel heel bijzondere, die zeker de moeite waard zijn en daarom niet voor niets de lange weg door de geschiede- nis overleefd hebben, zoals de Veda’s, de Thorah, enz. Over dit laatste wil ik het hebben . Een geschrift en een taal van de Overzijde Het woord Thorah houdt de vijf boeken in van Mozes, een groot ingewijde, die naar gezegd wordt, de boeken kreeg op de berg Sinai. Maar, de inhoud is veel ouder dan die tijd waar- in het volk Israel door de woestijn liep. De Thorah gaat veel verder terug. Hoe veel verder weet ik niet, maar wel vanaf het eerste begin, voordat iets opgetekend werd, en dat was kosmi- sche wijsheid, waarvan men toen al op de hoogte was. De oor- sprong van dit verhaal is zo geweldig oud en werd gedurende onmetelijke tijden als heilige woorden doorverteld van leraar op leerling. Het Oude Testament, met name de eerste vijf boeken, is datgene wat ervan bij ons terecht gekomen is. Een boek met een prachtige, onbegrepen inhoud, verminkt door vele verta- lingen, omdat men de Hebreeuwse Bijbel eenvoudigweg niet vertalen kan. De taal is oorspronkelijk een geheimtaal in te- kens en symbolen, waarin iedere letter een bepaalde kosmi- sche kracht bezit, en tevens een getal is, en woorden met de- zelfde getalswaarde hebben met elkaar te maken. In de kabba- lah moet je soms letters in een bepaalde volgorde zetten om informatie te krijgen. De oude verhalen vertellen hoe de wereld meerdere malen geheel veranderde. Hoe zelfs de stof waarin de mens leefde een geheel nieuwe uitdrukking kreeg. De betekenis van het verhaal over de verwoesting van de tempel door de koning van Babel ( koning van de wereld, de verwarring), is dat de wereld na 40 parsa , een tijd-ruimteaspect, van stand verspringt naar een geheel ander tijdsaspect. Een heel nieuw ruimtebewustzijn is dan ontstaan (met andere maatstaven). En van tijd tot tijd vindt de “verwoesting van de tempel”, huis van God, plaats. Er wordt verteld over een zondvloed, para- dijs, Sodom, ondergang van Egypte, hongersnoden, verander- ingen tussen hemel en aarde, enz. Maar door al deze situaties heen blijft het Woord bestaan. De “Tewah”, ark van Noach, betekent immers “Woord”. In de ark wordt alles met en in dualiteit, mannelijk en vrouwelijk overgebracht in een nieuwe wereld. Daar komt het opnieuw tot leven. In een geheel andere wereld, onder geheel andere omstandigheden, niet te vergelijken met die vorige, de onder- gegane wereld. Het Woord draagt het Leven door de wereldondergangen heen. Alle volken kennen het zondvloedverhaal, waarin een schip ‘behoud’ betekende. En het schip, de Tewah, is het Woord. Het Woord, goddelijke kracht en trillingen, blijft bestaan. Het schip is dat wat het leven door de tijd draagt, het leven van wereld tot wereld. Van eeuwigheid naar eeuwigheid. Het Woord vormt de mens, maakt hem onsterfelijk. Het Woord, de oertaal, de goddelijke energie, rechtstreeks uit de bron, kan mededelingen verder dragen. Van wereld naar we- reld; van leven naar leven; van mens tot mens. Daarom wordt het Hebreeuws, de taal waarin het scheppingsverhaal van he- mel en aarde is uitgebeeld een heilige taal genoemd. De naam “Hebreeër”(Ewer) uit het Oude Testament wil zeggen: van de “overzijde”, van de “andere kant”. Die wereld van de overkant is een andere wereld. Nu is het typische dat de taal van de Bij- bel niet “de taal van Juda”, of “de taal van Israël” genoemd wordt, maar “de taal van Ewer”(het Hebreeuws). Dus de He- breeuwse taal is een taal ook “van de overzijde”. Bij deze oer- taal doet zich het verrassende voor, dat men door kennis van die taal – en die kennis gaat veel dieper en veel verder dan de puur grammaticale kennis – gemakkelijk kan doordringen tot het wezen van de dingen. De beeldverhalen in de Bijbel zijn ook bedoeld om daardoor tot het wezenlijke te komen. Zo’n verhaal vertelt iets over een aspect, een hoedanigheid van ons- zelf. Komt uit ons innerlijk. Het is een taal die uit een andere wereld stamt, die elders verloren is gegaan, maar bij de Hebreeër nog aanwezig is. Daar is het geheim van het Woord nog aanwezig, zoals er al- tijd in deze wereld een draad blijft bestaan die verbonden blijft met die andere wereld. Verbinding tussen deze en de andere wereld Vaak is men zich die draad niet bewust, vaak wil men die draad niet eens, maar hij is er toch. Het is datgene wat de mens het be- sef geeft dat hij uit een andere wereld stamt, waar hij met iets anders te maken heeft dan alleen met dat wat hij hier waarneemt en ervaart. Het woord moet eerst iets opwekken bij de mens, een gevoel, een gedachte en pas daarna komt men – of kan men eventueel komen – tot het wezenlijke, daar waar je hart is. Van- uit je hoofd moet een verbinding komen naar je hart. Een mens moet voelen dat hij de eenheid van alle dingen steeds voor ogen moet hebben en er steeds naar moet streven die eenheid terug te vinden, de eenheid weten te leggen. Het begrip “Hebreeër” is dus niet voorbehouden aan iemand die in een bepaalde streek woont, of een bepaalde godsdienst heeft. Het is een hoedanig- heid in de mens. Ieder mens kan een Hebreeër zijn. De Bijbel vertelt het verhaal van de mens, op zijn weg door het leven met al zijn verwikkelingen. De Bijbel is niet tijdge- bonden. De mededelingen zijn dus altijd actueel. Daarom wor- den de verhalen in de Thorah niet uitgedrukt in verleden of toe- komende tijd, zoals in gewone verhalen. De Thorah staat in de tegenwoordige tijd, daar geldt altijd het moment NU. Een be- kend gezegde is “Er is geen voor of na in de Thorah”. 11 Reflectie 7(2) zomer 2010

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=