Reflectie 7(4) winter 2010.vp

De neerslag hiervan vinden we in de talloze beeldjes die we uit deze lange periode hebben gevonden en die bekend zijn als Venuskunst. Deze ‘Venussen’ zijn uit klei gebakken en ont- staan tussen 30.000 en 10.000 v.Chr. Zij zijn gevonden in een strook van 8000 km tussen Frankrijk en Oost-Siberië en zijn gevormd naar een soort sacraal standaardmodel. Deze Venus- sen hebben vaak uitgesproken seksuele kenmerken en zitten ook vaak gehurkt in de sacrale houding van een moeder die een kind baart. Soms ook van een moeder die een kind zoogt of de doden begeleidt. Het is duidelijk dat we hier met het oerbeeld van de vrouw te doen hebben. Achter deze Venussen gaat, zoals bij elke go- din, de oermoeder schuil die gaat over geboorte, dood en we- dergeboorte. De aanblik van deze beeldjes kan ons ook nu nog helpen naar binnen te gaan en in contact te komen met oer- vrouwelijke eigenschappen die al door de eerste mensen her- kend zijn en nooit verdwenen. (1) Donderende storm- en weergoden Dit bleef zo tot het vijfde millennium voor Christus. Maar toen begon de opmars van de Indo-Eurpese volkeren en hun donderende storm- en weergoden. Rond 5500 v.Chr. verlieten de oorspronkelijke Indo-Europeanen hun stamgebied in de Oekraïne en trokken Centraal-Azië binnen. Een stam van hen, de Ariërs, trok daarna richting Noord-India en stichtte er de Vedische cultuur die mede de oorsprong van het Hindoeïsme vormt. Opgravingen van paardenbotten wijzen al op paarde- noffers uit deze tijd. In de eeuwen erna trokken andere stam- men plunderend richting het huidige Europa of brandschatten het Midden-Oosten en Klein-Azië en verwoestten daarbij de bestaande beschavingen. Aan de iconografie uit die tijd is te zien dat het hier om een totaal andere cultuur gaat, een mannelijke vechtcultuur die de aarde wil veroveren. De beeldjes die we vinden, zijn van man- nelijke strijders, aanvallend en smijtend met wapens. Maar Venus was nog niet verdwenen. In de tempels en heilig- dommen uit die tijd is nog een grote hoeveelheid vrouwelijke Venuskunst gevonden. Onder verschillende benamingen be- middelde en beschermde zij nog steeds het gezin, de familie, de stad en het land. Als oermoeder garandeerde zij vruchtbaar- heid voor mens, dier en plant. Maar zij kreeg, met name in de Hellenistische wereld, ook erotische trekken en werd dan meer specifiek de godin van de liefde. Dansen en zingen voor Asherah Rond 1800 v.Chr. trokken, in het spoor van deze Indo-Euro- peanen, ook de semietische aartsvaders mee, waarover wij kunnen lezen in de Hebreeuwse geschriften van de Thora. De mythische Abraham als eerste van een lange rij van patriar- chen. Zij zwierven uit naar Egypte en hun nakomelingen ves- tigden zich in Palestina. Daar kwamen zij natuurlijk ook in contact met de verering van de oermoeder Asherah, de ‘vredesgodin’, ‘koningin van de liefde’ en ‘de altijd gevende Moeder’. Aanvankelijk was dat geen groot probleem en vierden vroege Joden en Palestijnen samen haar feesten en deelden daarbij brood en wijn. Zo ook toen koning Salomo rond het jaar 1000 v.Chr. in Jeruzalem een tempel bouwde voor de mannelijke dondergod Jahweh, die zijn voorvaderen gered had uit de slavernij van de Egyptenaren. In die tempel gaf hij Asherah een ereplaats. Zij was immers de godin van een ge- lukkige familie, van vruchtbaarheid en van gezondheid en die kon je maar beter te vriend houden. Zij werd in die dagen dan ook wijd en zijd vereerd. In vrij- wel elk huis uit die tijd vinden archeologen sporen van een huisaltaar ter ere van haar. En buiten in de velden was de boom het symbool van haar vruchtbaarheid en wijsheid en men begroef haar beeld in de wortels van bomen. Een meer gestileerd symbool was een houten staf met twee kronkelende slangen eromheen, ook bij ons nog bekend als symbool van geneeskunde. En ten slotte versierde houten palen die op scha- duwrijke plekken op de heuvels te vinden waren. Daar werd zij vereerd door priesteressen die offeranden van brood en wijn aanboden en op feesten werd er altijd samen gegeten, gedronken, gezongen en gedanst. Beeldenstorm van Josiah Maar aan deze populaire riten van Asherah met hun levensblij- heid namen de profeten aanstoot. En volgens hen irriteerde dat ook de mannelijke dondergod Jahweh. Zo klaagde Jeremiah eens, namens Jahweh(7:17): ‘De kinderen sprokkelen hout, hun vaders maken vuur, de vrouwen kneden deeg en maken broodjes die lijken op Asherah. Ze offeren wijn aan vele go- den en ze doen dat allemaal om mij te pesten.’ Jahweh en zijn priesters zonnen duidelijk op wraak en dat gebeurde toen Josiah in 695 v.Chr. koning werd. Ter onder- steuning van zijn politieke ambities liet Josiah zijn priesters het boek schrijven dat wij nu nog kennen als Deuteronomium, het ‘tweede verhaal van de Wet’. In dit boek riep Mozes de Jo- den op om Jahweh als enige god te erkennen en alle andere goden uit te roeien. Jahweh zou diegenen die zich hieraan hielden rijkelijk belonen. Josiah deed alsof hij het boek onverwacht vond en organiseer- de een beeldenstorm met moordpartijen door het hele land. Het bloed stroomde door de gehuchten en dorpjes en ieder die geen deel uitmaakte van de Jahweh-cultus, met name de priesteressen van Asherah en hun volgelingen, werd gedood. Alle religieuze plaatsen buiten de tempel van Jeruzalem werden verwoest. Niets mocht meer herinneren aan de vroegere cultus. Jahweh noemde zich een toornige en jaloerse god en dat was te merken. Zich beschermd wetend door Jahweh viel koning Josiah toen Egypte aan, maar sneuvelde op de eerste dag. Ook Jeru- zalem werd niet door Jahweh beschermd, want niet lang daar- na viel ook deze stad en de tempel werd verwoest. Het pries- tervolk en de elite werden in ballingschap naar Babylon ge- voerd. Maar de priesters wisten het nu zeker: ‘Niet Jahweh had zijn woord gebroken en Jeruzalem uitgeleverd. Nee, het lag aan de Asherah en haar cultus.’ Bij terugkomst uit de ballingschap werden de bestaande heilige boeken dan ook aangepast. Het eerste boek, Genesis, kreeg een nieuwe inleiding, waaruit duidelijk werd dat Jahweh alles had geschapen en dat in zijn ogen alles goed was. Waar- om dan al die ellende op de aarde? Omdat de mens gezondigd had. Hoe? Het beeld dat werd opgeroepen liet niets aan duide- lijkheid over: het was de oermoeder die, staande bij een boom met een slang, de mensheid in het verderf had gestort. De naam van deze oermoeder was Eva. De ene Vadergod Het is duidelijk dat we hiermee in een periode in de geschiede- nis terecht gekomen zijn van mannelijke dominantie. Dit geldt 6 Reflectie 7(4) winter 2010

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=