Reflectie 7(4) winter 2010.vp

“Geroepen in de Woestijn” Nag Hammadi anders belicht Lydia Schaap Egypte, november 2006. 4 uur in de ochtend. Een vaag licht kondigt Ra, de Zonnegod, aan. Zijn stralen, nog net onder de horizon, willen geboren worden. “Wake up call, madam”, de stem aan de telefoon heeft een zwaar Arabisch accent. Ik ril als ik uit bed stap. De sensatie van kou is verrassend, na dagen van bescherming zoeken onder mijn hoofddoek voor de verzengende hitte en het hete zand. Beneden gekomen in de lobby van Hotel Amon Ra, heeft het reisgezelschap zich al verzameld. We zullen in een vroege bus- tocht, geëscorteerd door twee politiejeeps met bewapende politie voor en achter de bus, naar Aswan rijden. We gaan al vroeg op pad, het is een lange reis, langs de Nijl richting het zuiden. Na de ervaringen die het verstand volkomen te boven gaan, in de Koningskamer van de Grote Piramide van Gizeh in Caïro en andere Tempels die wij al bezocht hebben, voel ik dat mijn zesde zintuig zich heeft verscherpt. De Egyptische gids, Hesham, lacht en buigt licht, als ik langs hem loop om de bus in te stappen. “Goodmorning, my Goddess” , zegt hij charmant. Was het pas vier dagen geleden, dat ik bij de Grote Pirami- de stond met Hesham? Mijn tijdbesef is volkomen verdwenen. Ik raapte toen gedachteloos een steen op waarmee ik “Isis Ly- dia” op een grote zwerf kei schreef en er een hart tussen te- kende. Hesham, die uit het niets achter mij stond, keek mij aan met een blik in zijn ogen van iemand die “weet”… en zei zacht: “Yes, you áre Isis” . Bij het horen van die woorden begon het te duizelen in mijn hoofd. Zonder één gedachte, zonder rede stroomden tra- nen uit mijn ogen en vielen op het droge zand. Mijn Ziel opende zich. Ik herinnerde mij plots de geur van eeuwen en eeuwen te- rug. Van het zand, de specerijen, de droge wind, de koele aar- degeur in de Koningskamer in de piramide. Het was een men- geling van aarde-, cederhars-, hout-, en steengeuren. De steen nog in mijn hand, hoorde ik in mijzelf het woord: “Ptah…”. In mijn derde oog zag ik Hesham met een soort kroon op zijn hoofd waarop twee gouden cobra’s afgebeeld stonden. Ik herkende hem van eeuwen her. En hij mij…. Pas later begreep ik dat het woord “Ptah” echt bestaat. Ptah, de OerGod uit het oude Egypte. De God die vóór alles bestond. Uit Hem is Ra voortgekomen. Het woord was mij on- bekend, laat staan dat ik wist dat het een God was. Dat en nog vele andere onverklaarbare ervaringen die ik beleefde tijdens mijn Egyptereis, deden mij beseffen dat het na-Atlantische Egypte bekend terrein moest zijn voor mijn Ziel. Op die vroege ochtend in de bus, op weg naar het zuiden, werpt Ra, Vader Zon, Zijn eerste aangenaam warme stralen op Nut, Moeder Aarde. Wij rijden door het prachtige, nog groen en weelderige gebied, niet ver van de Nijl. Onze Engelse reis- leider, John Armitage, in een vorige incarnatie Hogepriester van Akhnaton, zingt plotseling, door de microfoon, “AUM”. Mijn bewustzijn verandert. Tot die tijd had ik wat zitten dommelen op het ritme van de motor van de bus. Meteen ben ik helder en alert. Mijn Ziel zelf schudt mij wakker. Ik kijk uit het raam en zie een rotsachtig woestijngebied. Weer die gewaarwording van herkenning, van zeker weten dat ik hier ooit geweest ben, ook al is er geen ge- dachte in mijn hoofd aan het woord. Het weten speelt zich af in een stille laag van mijn bewustzijn. Een innerlijk beeld doemt op van rotsen en De Meester die in Zijn witte gewaad op een berg staat, Zich buigt en schrijft in het zand. “Ik was erbij…ik heb Hem gekend…”, een verbijste- rende ontdekking die in mijzelf resoneert, in al mijn cellen zoemt. Dik kippenvel verschijnt op mijn armen en langs mijn rug, maar ik heb het niet koud. Was ik er écht bij? Of stem ik mij, nu zo gevoelig, af op een collectief veld dat hier energetisch aanwezig is? Was Hij hier, in Egypte? De Meester? Maar waar is ‘hier’? We zijn op weg naar het zuiden, is alles wat ik weet. Een mengeling van intense gevoelens van blijdschap en even zo intens verdriet overvallen mij, razen door mij heen. De innerlijke beelden zijn zó tastbaar, zó overweldigend, net zo tastbaar als de bus die door het landschap rijdt. Aan den lij- ve ervaar ik meerdere dimensies die in geluid, beeld, geur en gevoel, tegelijk in tijd en ruimte aan mij voorbij trekken. Hoe in woorden het te omschrijven? Het speelt zich af in de Geest en toch ook gewoon in mijn huidige lichaam en zintuiglijke gewaarwording van dat moment. Door de microfoon zegt John: “When you look to your left, behind these rocks, there is the place where the old manu- scripts are found in jars, by an Egyptian farmer. The Nag Hammadi manuscripts”. Nag Hammadi! Het duizelende gevoel in mijn hoofd is er weer. Een spiraal van Licht die door het labyrint van mijn her- senen, zich langzaam een weg kronkelt. Met mijn innerlijk oor hoor ik Zijn geluidloze roep. “Ja, mijn Meester…Rabboenie…”, antwoord ik stil in mijn hart. Diepe ontroering, dankbaarheid en stilte vullen mij, vol zacht- heid en ontzag. Ik wist niet waar ik mij bevond, toch voorvoelde ik de Energie van Liefde van De Meester hier op deze desolate plek in de woestijn: Nag Hammadi. Die ontzagwekkende Stille Liefde liet zich zó allesdoor- dringend voelen, dat ik, zo klein als een zandkorrel in de woestijn, dronk van Het Levende Water als een dorstig kind aan de Moederborst. Mijn lichaam beweegt zich door de hobbelende bus naar voren en – anders zo verlegen – pak ik, in vervoering, de mi- crofoon en zing: “Ave Maria…”. 24 Reflectie 7(4) winter 2010

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=