Reflectie 7(4) winter 2010.vp

wandeling over het water is in een stoffelijk milieu niet te imi- teren, eenvoudig omdat het lopen-over-het-water een metafoor is voor het meesterschap in de ziel. In de bijbelse mythologie zijn ‘de wateren’ het beeld van de ziel, het levende reservoir van het onbewuste. Al in de eerste re- gels van Genesis zweeft God over de wateren en maakt daarmee de eerste conceptie zichtbaar. Overdrachtelijk symboliseert het zweven-over-de-wateren het diepe geheim van de seksualiteit. De mannelijk voorgestelde godheid en de vrouwelijke wateren creëren met deze daad de schepping in drie fasen. De wateren spatten uiteen in de ‘wateren boven’ en de ‘wateren beneden’ het uitspansel. Vervolgens verdelen de wateren beneden het uit- spansel zich in het droge land en de fysieke oceanen. In ware zin gaat het om de wereldziel (de wateren), die zich versplitst in de individuele zielen van de mensen. Verderop in de vertel- lingenreeks raken de putten waarin de wateren worden be- waard, verstopt door oorlogshandelingen, maar in het Nieuwe Testament voert de schrijver ons mee naar Samaria. Jezus ont- moet er een Samaritaanse vrouw, die hem water aanbiedt. Je- zus weigert, omdat dit water niet zuiver is en hij nodigt de vrouw (die vijf mannen heeft gehad, terwijl de zesde haar man niet is) uit om naar Jeruzalem te komen. Daar kan ze het le- vende water drinken. De leer van Jezus is immers het levende water en hij, de leermeester, identificeert zich daarmee. Het zesde zintuig Zo neemt het verhaal van “de wateren” ons bij de hand op onze exodus door het leven, onze bewustzijnsreis van dualiteit naar eenheid. Wij allen, u en ik, gaan schuil in de mysterieuze gestalte van de Samaritaanse, een inwoonster van het vijande- lijke land. De vijf mannen die zij had zijn onze vijf bekende zintuigen, zien, horen, voelen, ruiken en proeven, terwijl ons zesde zintuig nog niet tot onze normale uitrusting behoort. Datzelfde thema beheerst het oudtestamentische gevecht tussen David en Goliath. Drie meter hoog rijst de reus voor de kleine herdersjongen op, een machtige gestalte, gehuld in een glimmend harnas. Tegen zoveel overmacht zal de slanke jong- eman zeker niet bestand zijn. Maar de slimheid van de geest overwint de domheid van materiële macht. David raapt vijf gladde steentjes op uit de beek en het vijfde steentje schiet hij met een katapult in de richting van het onbeschermde derde oog van de reus. In dat enkele steentje concentreert zich de verzamelde macht van alle zintuigen en zo komt het zesde zin- tuig tot leven. Het treft de reus dodelijk. Zoals het een rechtmatig overwinnaar betaamt, slaat David hem met zijn eigen zwaard het hoofd af. Het klinkt allemaal wreed, maar de metafoor vertelt ons dat het rationele onderge- schikt is aan de spiritualiteit van het hart. In de overwinning van David op de Filistijn Goliath schuilt het geheim van het heilige hart van Jezus, een telg uit het geslacht van David. Het Davidmysterie Ook deze overlevering hult zich in het geheim van de getallen. Naar alle waarschijnlijkheid heeft de historische Jezus totaal geen band met zijn vermeende voorvader David. In zijn naam verbergt David namelijk het getal veertien, dat ook het eindge- tal van de scheppende Elohim is. De veertien komen we al te- gen in het oude Egypte. Volgens de mythe hakte Seth (het oer- beeld van Satan) het lichaam van zijn broer Osiris in veertien stukken en verspreidde die in het water van de Nijl. Isis, de goddelijke gade van Osiris, besteedde vele jaren aan het verza- melen van de veertien lichaamsdelen. Uiteindelijk gelukte het haar Osiris weer te helen en in de vermomming van een vogel, bedreef ze de liefde met haar echtgenoot. Zo raakte ze zwang- er van haar zoon Horus. Het beeld van Isis met Horus op schoot inspireerde de christeljjke iconografen tot het beroemde beeld van Maria met haar zoon Jezus op schoot. De veertien geheelde lichaamsdelen van Osiris herhalen zich in de Elohim, in David en in de incarnatie van de goddelijke Zoon Christus, die volgens de officiële kerkleer vervolgens na zijn kruisdood uit die incarnatie verrees. De veertien verwijst naar de zeven stappen van de incarnatie en de volgende zeven stappen van de excarnatie. De zeven scheppingsdagen en de zeven tekenen bij het sterven van Jezus voltooien in hun samenhang het getal veertien van de incarnatie (de stoffelijke schepping) en de ver- rijzenis ( de vergeestelijking van de schepping). De zeven grote gebeurtenissen uit het leven van Jezus (ge- boorte, doopsel, verheerlijking, kruisdood, opstanding, hemel- vaart en uitstorting van de heilige geest) bevestigen op niet mis te verstane wijze de ontvouwing van het zevenvoud in het proces van vergeestelijking. Het is geen wonder dat het getal 14 het sleutelgetal is op de beide stambomen van Jezus. Het Jezusmysterie Rest de vraag naar de identiteit van Jezus. Eeuwenlang was dat een vraag die je de kop kon kosten. Twijfel is een voortbrengsel van de tweeheid, de dualiteit waaraan we behoren te ontsnap- pen. De Kerk creëerde de Zoon van God om daarmee de heel- heid van Jezus aan te tonen, maar iedereen weet dat Jezus mens werd en als mens zuchtte onder de dictatuur van de dualiteit. In de interessante dubbelmetafoor van de twee broodwonde- ren identificeert hij zichzelf met de twee visjes van mens en god in een persoon. Terwijl de broden worden verdeeld (zeven bro- den voor de 4000, waarvan zeven korven met brokken overblij- ven en vijf broden voor de 5000 met twaalf restkorven) blijven de visjes onaangeroerd en zelfs verder ongenoemd. Dat is ook weer zo’n intrigerend cijferraadsel. De 4000-7-7 vertellen ons dat mensen die zich door het stoffelijke (de 4000) laten inkapse- len, geen stap verder komen, uitgedrukt in de zeven die zeven blijven. Maar 5000-5-12 hebben betrekking op mensen die zich inzetten om geestelijk te groeien (5-12). De beide visjes figureren op de achtergrond, precies als het geestelijke bewustzijn in de normale mens in stilte sluimert. Zij vormen het archetype van het astrologische Vissentijdperk, terwijl de waterdrager die de zaal van het laatste broedermaal zal aanwijzen, het naderende Watermantijdperk aankondigt. Dat is de tijd waarin de Christusmysteriën worden ontsloten voor steeds grotere groepen mensen. Die tijd is nu aangebroken. De schellen vallen ons van de ogen. De mens Jezus, die werd gekruisigd en verrees, groeit uit tot het Christusarchetype, dat in elk menselijk hartcentrum verblijf houdt. Aan ons de opgave om ons daarvan bewust te worden. Denk aan de boodschap van Johannes de Doper: “Hij moet groeien, Ik moet minder worden”. Jezus kan en mag nooit onderwerp worden van geschied- kundig onderzoek. Wie dat onderneemt, versmalt hem tot de kleine feilbare mens. Zijn androgyne oerbeeld strekt zich uit naar de duistere verten van het universum. In zijn grootsheid overstijgt hij elke vorm van dualiteit, ook leven en dood. 15 Reflectie 7(4) winter 2010

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=