reflectie 8(2).vp
graf afgaan en dat het verzamelen van materiële goederen niet het summum kan zijn van het bestaan. Een ongemakkelijk feit, maar één dat onder ogen gezien moet worden. Waaraan lenen wij ons oor? Bovenal is Kali de Moeder, wat betekent: een bron van gene- zing en bescherming. Daardoor is het mogelijk genezing en bescherming te vinden temidden van de afschuwelijkheden van deze tijd. Maar eerst moeten wij deze vreselijke dingen het hoofd bieden, diep in de duisternis voor ons kijken en le- ren het licht te zien dat altijd schijnt aan het einde van de tun- nel. Kunnen wij ons neerleggen bij de vreselijke wreedheid die overheerst in de moderne samenleving – fysieke, mentale en morele gruwelijkheden die alle rede tarten? Kunnen wij be- grijpen waarom bepaalde delen van de mensheid andere onge- looflijk doen lijden? De Meester KH (Koot Hoomi) zegt: “De wereld heeft het licht van de ware kennis verduisterd, en zelf- zucht verhindert haar herleving, want de hechte broederschap van allen, die onder dezelfde onveranderlijke natuurwet wer- den geboren, wordt door haar uitgesloten en niet erkend” Zelfzucht en begeerte naar lege schaduwen; bezit van kraaltjes die niets te betekenen hebben; miljoenen die gedood zijn ter wille van hebzucht naar geld of macht; voorbijgaande dingen die in werkelijkheid geen waarde hebben – wij hebben de echte waardigheid van de menselijke natuur uit het oog ver- loren, het vermogen in de ziel van de ander te kijken en de Goddelijkheid in hem lief te hebben. De Meester KH zegt ook: “De grootste troost en de allereerste plicht in het leven, mijn kind, is geen pijn te veroorzaken en het vermijden van het ver- oorzaken van lijden jegens mens of dier.” Moge de mensheid deze woorden ter harte nemen, want hierin liggen de zaadjes van alles wat wij dienen te zeggen en te doen. Als wij de gevoeligheid konden ontwikkelen waard- oor wij terugschrikken voor iedere daad of elk woord welke het hart van de ander verduistert; als wij konden leren de ogen van de ander te lezen en ons ervan bewust te zijn wanneer hij ons smeekt om begrip; als wij teleurstelling of ontmoediging bij de ander konden aanvoelen; als wij zelfs maar de angst konden zien in de ogen van een dier, wanneer wij het boos toespreken of onze hand verheffen – als wij maar KH’s woor- den ter harte konden nemen en deze ‘eerste plicht in het leven’ konden cultiveren voor wat het is, dan zouden wij op weg zijn naar het bereiken van de sublieme toestand die genoemd wordt in De Stem van de Stilte: “Uw ziel lene het oor aan elke kreet van smart, gelijk het lotushart zich opent voor de morgenzon. Laat niet de felle zon één smartentraan verdrogen, voordat gij zelf die weggewist hebt uit des lijders oog. Maar moge elke traan, heet door de mens geweend, u vallen op het hart en daar verblijven; en veeg hem nimmer weg totdat het leed, dat de oorzaak was, ge- lenigd is.” Op deze wijze zouden wij licht bijdragen aan deze donkere tijd, hetgeen in feite de plicht is van al degenen die in staat zijn tot een onzelfzuchtig initiatief. Genialiteit in deugd en innerlijke schoonheid Wij leven in een tijd waarin aan trivialiteiten onevenredig be- lang wordt gehecht, waarin een filmster of een sportheld be- schouwd wordt als een ‘held’ en behandeld wordt met de eer- bied die vroeger alleen was voorbehouden aan hen die ware genialiteit bezaten. HPB schrijft in haar artikel ‘Genialiteit’: “Zouden de hoofd- stukken 2 en 3 van I Corinthiërs ooit worden vertaald in de geest waarin ze werden geschreven – zelfs hun dode letter is nu misvormd – dan zouden aan de wereld wonderlijke dingen worden geopenbaard… De wereld zou dan onder andere de sleutel in handen hebben tot vele tot nu toe onverklaarde riten van het aloude heidendom. Eén hiervan is het mysterie van deze zelfde Heldenverering. De wereld zou vernemen dat, als de straten van de stad die zo’n man zou eren bestrooid waren met rozen voor de doorgang van de Held van de dag; als iede- re burger werd verzocht te buigen in verering voor hem die zo onthaald werd; en als zowel priesters als dichters met elkaar wedijverden om de naam van de held onsterfelijk te maken na zijn dood – dan vertelt de occulte filosofie ons de reden waar- om dit gedaan werd. Er staat: ‘Zie in elke manifestatie van ge- nialiteit – wanneer die gecombineerd wordt met deugd – in de krijger of de zanger, de grote schilder, kunstenaar, staatsman of wetenschapper, die hoog boven de hoofden zweeft van de gewone kudde, de onmiskenbare aanwezigheid van de hemelse banneling, het goddelijk Ego wiens cipier gij zij, o mens van materie!’ Aldus was hetgeen wij vergoddelijking noemen van toepassing op de onsterfelijke God binnenin, niet op de dode muren van de menselijke tabernakel die hem omsluit. Dit werd gedaan in zwijgende en stille erkenning van de po- gingen, gedaan door de goddelijke gevangene die, in de meest ongunstige omstandigheden van incarnatie, er nog in slaagde zichzelf te manifesteren.’ Geen wonder dat Kali ons voortdurend herinnert aan onze sterfelijkheid als persoonlijkheid in deze wereld. Wij associ- ëren schoonheid met alleen de toestand van het fysiek lichaam en verwaarlozen ons innerlijk wezen, waarbij wij degenen ver- goddelijken die het meest bedreven zijn in het tentoonstellen van dit voorbijgaande verschijnsel dat wij het lichaam noe- men. Schoonheid van Geest wordt volkomen genegeerd en zelfs beschouwd als ‘raar’. Schoonheid van vorm en lelijkheid van spraak en denkvermogen is de mode in de moderne maat- schappij, alsook een terugdeinzen voor alles wat echt cultureel is. Ware cultuur wordt altijd verbonden met de ontwikkeling van het spirituele deel van onze natuur. Alles wat lager is, is een verduistering van onze hogere natuur en daarom van geen nut in de uiteindelijke analyse. Het is dit zich richten op het voorbijgaande dat ons zoveel verdriet bezorgt – proberen ons huis te bouwen op drijfzand en het onder ogen moeten zien van het feit dat alles wat wij verzameld hebben ons ontrukt zal worden, wanneer we naar een andere wereld gaan. Wat we bewaren is de kennis van geestelijke aard die wij verworven hebben, die een deel wordt van het bewustzijn dat wij aan het verruimen zijn door het oplichten van sluiers en het afbreken van muren die voorko- men dat wij dingen duidelijk kunnen zien. Het “Goud” toegankelijk maken Om in deze donkere tijd te overleven en te kijken in het hart van Kali, dat van goud is en schitterend, moeten wij leren waarderen dat het ‘ras der mensen goddelijk is’, zoals Pythagoras zegt. AE (George William Russel), de Ierse schrijver over mystiek, her- haalde voortdurend dat er een Gouden Wereld om ons heen is als wij er maar naar willen zoeken. Het Gouden Tijdperk is dus niet dood, maar bestaat op een niveau dat voor de meeste men- sen ontoegankelijk is, maar beslist realiseerbaar als wij onze na- tuur maar afstemmen op de schoonheid van onze medemens. 7 Reflectie 8(2), zomer 2011
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=