refl7(2) zomer 2010-rechtstreeks.vp
Godsbegrip Tom F. Fokker In dit werkstuk wil ik mijn gedachten laten gaan over het ontstaan van het woord “God” en wat voor begrip we bij dat woord kunnen hebben. In het begin van het christendom moest een begrijpelijk woord uit een andere cultuur gezocht worden voor de inhoud van de “Bron van al het Geschapene”, als symbool of vertaling van het begrip van de oorsprong van de schepping waarin de zin, het ontstaan en de voorwaarden beschreven werden om op een juiste manier te leven. Het scheppingsproces werd in elke cultuur eerst door de priesters alleen maar mondeling doorgegeven, omdat het een groot geheim was wat zij moesten bewaren in een gesloten priestergemeenschap. Pas veel later, toen de mens in staat was om woorden op schrift te stellen, werden deze geheimen in be- sloten gemeenschappen schriftelijk bewaard. Woorden zijn als symbolen te beschouwen voor begrip- pen.Veel later, toen het lezen en schrijven algemeen bekend werden, was het geschreven woord voor iedereen toeganke- lijk. Bij een vertaling van een symbool moet je begrijpen welk begrip met dat woord bedoeld wordt en moet je zoeken of er in de taal van de vertaler een woord is dat de betekenis op de zelfde wijze ook kan verbeelden. In het algemeen bestaat er bij veel mensen een bepaald beeld bij het woord “God” dat beschreven wordt als “het Oude Mannetje die op een Troon zit” en die iedereen en alles in de gaten houdt en ervoor zorgt, dat iedereen krijgt wat hij maar verlangt. Als je aan God iets vraagt, dan zal Hij zorgen dat je het krijgt en waarbij je teleurgesteld mag worden als je niet krijgt wat je gevraagd hebt, zonder er zelf iets voor te doen. Het is duidelijk dat als je iets wilt hebben of krijgen, dat je er zelf iets voor moet doen, en dan is het niet een krijgen maar een verkrijgen; het is dan iets waarvoor je jezelf hebt moeten inspannen. We kennen de uitdrukking: “Er valt geen musje op aarde zonder dat Hij het wil”. Het beeld dat er iemand anders is die alles voor je verzorgt, lijkt mij een erg beperkt begrip van het woord “God”, omdat zo onze eigen verantwoordelijk- heid voor onze stoffelijke en geestelijke groei wordt uitgeschakeld. Om het verhaal over de schepping en het ontstaan ervan begrijpelijk te vertellen, heeft de christelijke Kerk het symbool gebruikt van die controlerende en alles gevende man voor al- les wat op aarde leeft en daarbij uitsluit dat elk levend wezen zijn eigen verantwoordelijkheid heeft. Alleen maar als je doet wat “Hij” wil, kom je in de Hemel. Dat verhaal met deze God gaf aan de mensen niet de drang om een wereld van harmonie en vrede te laten ontstaan. Zo is er jaren geleden de gedachte ontstaan, dat God wel dood moest zijn, omdat die vrede maar niet kwam. Vrede en harmo- nie in de wereld kunnen alleen maar ontstaan, als alle mensen in staat zijn respect voor hun eigen leven en dat voor een an- der te hebben, waarbij het leven van iedereen even belangrijk is. Het woord “God” is in veel andere culturen een aanduiding voor een gelijke, specifieke eigenschap van een voortdurende bron van energie, waardoor wij kunnen bestaan en leven. Het beeld dat wij in de Vrij-Katholieke Kerk van dat begrip proberen te verkrijgen, is niet meer het “Mannetje op de Troon”. In onze Kerk wordt de mogelijkheid geboden om een vrije en eigen gedachte te vormen over de zin van de schepping en zijn oorsprong. Er kan een geheel ander beeld van het begrip van het woord “God” ontstaan door te gaan zoeken wat de bete- kenis van het woord “God” in de verschillende talen is die we in onze cultuur van het Westen gebruiken en wat de “vertaling” is van dat “besturende principe” in andere culturen. Een andere omschrijving is, dat het woord “God” de bete- kenis heeft van een “besturend principe” dat door een manne- lijk beeld wordt aangeduid om begrijpelijk te maken dat er uit een bron een voortdurende stroom van scheppende energie is waardoor een volmaakte, levende vorm kan ontstaan. Tijdens het begin van de jaartelling werd bij het woord “God” nog niet aan een geslachtelijk, maar aan een onzijdig wezen gedacht. Het is interessant om te kijken wat in het “Etymologisch woordenboek” van Van Dale bij het woord “God” te vinden is. Daar is te lezen, dat: “God” wordt gezien als een boven- menselijk wezen en dat het woord afkomstig is uit het mid- delnl. god of got (en toen oorspronkelijk onzijdig was, maar dat het onder invloed van het christendom een mannelijk woord is geworden). Verder in de tijd teruggaand, is het in het oudnederfrankisch, oudhollands got, in het oudsaksisch, oud- fries, oudengels is het god of gud, in het gotisch gut (onzijdig) en in het oudiers guth waar het de “stem” betekent. De etymologie is onzeker, het is misschien verwant met het oudindisch huta [wat ‘aangeroepen’ betekent]. Hierbij moeten we bedenken dat het letterteken “H” ook als een “G” uitgesproken kan worden. De uitleg uit het oudiers dat God de Stem is, is naar mijn mening alleszins aanvaardbaar, als we denken aan wat er staat bij het begin van het Johannesevangelie waar in het kort ge- zegd wordt dat “God”: Woord is, het is alles, het is het Licht der mensen en dat het Licht hetzelfde is als het Leven. Een andere afleiding is die van de vertaling in het Grieks “Theos”, die afgeleid is van het Griekse werkwoord dat ‘voortgaan’, ‘voortsnellen’ of ‘bewegen’ betekent. Beide woorden geven een energie aan en duiden niet op een op een mens gelijkend persoon. Jahweh of Jehova is in de christelijke terminologie vertaald met God, maar ook wel met Heer of Here waarvan de beteke- nis niet gelijkwaardig is aan ‘het oorspronkelijke principe’, maar het paste beter bij de boodschap die door de Kerk in een bepaalde tijd moest worden overgebracht. Het woord ‘Heer’ betekent: iemand die een bepaald gebied beheert. 13 Reflectie 7(2) zomer 2010
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=