refl7(2) zomer 2010-rechtstreeks.vp
Voor het Westen was dit een belangrijke her-ontdekking, toen men in de tijd van de Verlichting ging proberen op rationele gronden een ethiek op te zetten, die los stond van de toenmali- ge macht van de Kerken die de ethische boodschap van Jezus hadden vervormd tot een levensvreemde ethiek. Het was een roerige tijd. Door de eeuwen heen waren er in het Westen altijd mensen met gezond verstand geweest, die geprobeerd hadden onder de macht van de christelijke Kerken uit te komen. Lange tijd kregen deze ‘dissidenten’ geen kans in het Westen, maar in de tijd van de Verlichting leek het tij te keren. Er kwam belangstelling voor een meer rationele bena- dering van het leven. Dat moest wel in heftige debatten en soms bloedige revoluties bevochten worden, maar het bleek een succesvol alternatief. Er kwam een groep filosofen die dit helder en met kracht wisten te onderbouwen. Een van hen was de Duitse Friedrich Nietzsche (1844-1900) die in zijn beroemde boek ‘ De vrolijke Wetenschap’ (4) felle kritiek leverde op het christendom en de christelijke God dood verklaarde. Een andere filosoof, Immanu- el Kant (1704-1824) was hem hierin al voorgegaan. Kant was een ander type denker, veel systematischer en logischer dan Nietzsche, maar hij had God terzijde geschoven door te berede- neren dat je God met de ratio gewoon niet kunt kennen. Dus hoefde God geen onderwerp van filosofisch debat meer te zijn en kon je je energie geven aan meer praktische zaken. Ethiek was zo’n onderwerp. In zijn beroemde geschrift ‘Kritiek van de Praktische Rede’ (5) gaat hij hier diep op in en probeert hij tot algemeen geldende, morele regels te komen. Ui- teindelijk komt ook hij uit bij de ‘gouden regel’. Hij formuleert deze in meer algemene zin door te stellen, dat je moet handelen zoals een ander het in jouw plaats zou doen. Kant ziet hierin het weten wat in het hart van alle mensen gegrift is en noemt deze op rationele gronden ‘de categorische imperatief’. Gnostisch Alexandrië In de tijd van de Verlichting, en mogelijk ook als tegenhanger van de rationele aanpak, kwamen ook andere ‘dissidente’ stro- mingen in het Westen naar voren. Voor hen was niet de ratio het belangrijkste, maar de gnosis, de kennis van het hart, en zij bleken de hoeders van zeer oude, esoterische tradities. Zij vonden hun wortels in India en het Verre Oosten, maar ook dichterbij in Egypte, en met name in het klassieke Alexandrië. Waarom? Alexandrië was ooit in de Egyptische delta gesticht door de veroveraar Alexander de Grote. In het begin van onze jaartel- ling was het uitgegroeid tot het inspirerende culturele centrum van het Romeinse Rijk. Een gigantische stad met 400.000 inwo- ners, kosmopolitisch, met mensen uit de hele toenmalige helle- nistische wereld. Er had zich ook een vrij grote Joodse gemeen- schap gevestigd. En een groep Boeddhisten, die daar sinds 245 v. Chr. (6) de leer van Boeddha verkondigden. Er was een levendig contact tussen deze gemeenschappen en men trof elkaar vaak in de beroemde bibliotheek, de meest complete van de hellenistische wereld met tussen de 400.000 en 700.000 boekrollen. Hierbij bloeide een nieuwe spirituali- teit op. Gnosis, kennis van het hart, introspectie waren hier het toverwoord. Men wist: er is geen gezag dat ons iets kan leren, het komt op jezelf aan. Esoterische tradities uit het oude Egyp- te en Boeddhistische meditatievormen mengden zich hier met het Griekse ‘Ken uw zelve’. Als je jezelf kent, ken je het Al. Zoals de gnostische leraar Monoimus leerde: ‘Geef het zoeken naar God, de schepping en soortgelijke zaken op. Zoek naar hem door jezelf als uitgangspunt te nemen. Leer wie het is binnen in je, die zich alles toeëigent en zegt: Mijn god, mijn geest, mijn denken, mijn ziel! Als je nauwkeurig deze zaken onderzoekt, zul je hem vinden in jezelf.’ (7) Vanuit dit perspec- tief werd in Alexandrië ook de gnostische Hermes Trismegis- tus ontwikkeld, een boek dat sinds de vertaling ervan in de Re- naissance een diepgaande invloed heeft gehad op de Westerse cultuur. Teksten van Nag Hammadi Toen de eerste joodse christenen in Alexandrië aankwamen, gevlucht na de verwoesting van Jeruzalem in 70 AD, vonden zij een bloeiend spiritueel leven dat doordrenkt was met gnos- tische elementen. In Jeruzalem hadden zij een hechte gemeen- schap gevormd onder Jacobus, de broer van Jezus, die de on- derlinge liefde sterk benadrukte, maar dat was niet altijd ge- lukt. Zou er misschien nog iets ontbreken? In Alexandrië hoorden zij dat, om je naaste te beminnen als je zelf, je ook een diepe zelfkennis nodig hebt. En die zelfkennis kon als ‘gnosis’ worden verworven. Al spoedig daarna ontstond er daardoor in Alexandrië en daarbuiten een levendig ‘gnostiek christendom’. De teksten die gevonden zijn in Nag Hammadi (7) spreken daar – letterlijk – boekdelen over. Deze christenen hadden een grote invloed op de ontwikkeling van het christen- dom in die dagen. De latere gnostische bisschop van Alexandrië, Valentinus, was in 140 AD zelfs bijna tot bisschop van Rome benoemd. Maar op dat moment was er al een andere christelijke stro- ming, die van de autoritaire orthodoxie, in opmars en werd Valentinus niet gekozen. De geschiedenis van het christendom zou er met zijn benoeming heel anders uitgezien hebben, niet met een autoritair-dogmatische structuur, maar als een ge- meenschap van uiteenlopende spirituele stromingen waarin ieder op zijn eigen manier tot inzicht en bevrijding komt. Dat heeft helaas niet zo mogen zijn, maar dat betekent niet dat het ‘gnostische christendom’, de zogenaamde gnostiek, zijn waarde heeft verloren. Integendeel, juist in onze dagen, nu in het Westen de traditionele orthodoxie steeds meer terrein begint te verliezen, blijkt dit gnostische christendom weer een bron van inspiratie. We kunnen daarbij putten uit talloze esoterische tra- dities die gedurende de hele Westerse geschiedenis dit ‘gnos- tische christendom’ in het geheim en onder zeer moeilijke om- standigheden levendig gehouden hebben en nu in de openbaar- heid komen. De VKK is daar een goed voorbeeld van. Tegenwoordigheid van geest De sfeer in Alexandrië bracht bepaalde aspecten van Jezus’ boodschap helderder naar voren dan in de Joods-christelijke gemeenschap van Jeruzalem mogelijk was geweest. Met name Jezus’ nadruk op de innerlijke moraal, de gesteldheid van het hart, de intentie. Aristoteles had dat ook al uiteengezet in zijn Ethica (3) . Daarin zegt hij, dat – belangrijker nog dan uiterlijk gedrag – het de innerlijke gesteldheid van een mens is. Als die innerlij- ke gesteldheid niet zuiver is, is er geen sprake van moreel goed gedrag. Het gaat immers niet alleen om wat objectief waarneembaar is, maar ook en vooral over de subjectieve in- stelling, de houding van de mens. Doet een mens iets automa- tisch en onbewust, of bewust en vanuit een vrije houding? 17 Reflectie 7(2) zomer 2010
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=