refl7(2) zomer 2010-rechtstreeks.vp
Een loopje met de zaaier een overpeinzing Jan Tiernego ‘De gelijkenis van de zaaier’ (Mattheus 13:3, Marcus 4:3 en Lucas 8:5) hoorde ik voor het eerst als kind op de zondags- school. Telkens als ik het verderop in mijn leven weer hoorde, was het net of het me iets anders deed, ietsje meer te zeggen had. Vreemd, want dat boek is niet veranderd, het stond al die tijd in onze boekenkast, de Bijbel. En nu – ik ben de 70 al ge- passeerd – nu overkomt me dat weer, het verhaal voegt me weer iets toe, dit keer iets wat misschien wel het allerbelang- rijkste is van alle keren dat het iets toevoegde. Ik vind het zo leuk dat zo’n verhaal zo groeien kan van kinderogen naar vol- wassen ogen. Het verhaal volgens Mattheus: Toen, op die zondagschool, weet ik niet meer of de predikant er een uitleg bij gegeven had. Maar ik weet nog donders goed wat voor uitleg ik er zelf aan gaf. Toen dacht ik: “Ik moet alles goed doen, wat ik doe. Als ik iets niet goed doe, is dat fout!” Net als die boer, die was ook goed stom bezig door maar lukraak te zaaien zonder te kijken wat hij deed. Logisch dat van dat zaad niets terecht zou komen op paden, rotsbodems of tussen doornen. Thuis kreeg ik een standje voor wat ik fout deed en soms ergere straf. Op school kreeg ik strafregels of ik moest nablij- ven. Of dat allemaal terecht was, doet er niet toe, ik deed iets fout in de ogen van mijn ouders of van de meester. Het kwam pas goed als ik het goed deed. Die boer ook, hij zaaide net zo lang door tot hij een plek had gevonden, waar het wél wilde groeien. Net als die boer moest ik leren om door te gaan net zolang tot ik het goed kon. Veel later hoorde ik de uitleg dat “het zaad het woord van het Koninkrijk is”, dat tot alle mensen wordt gesproken. Maar, helaas, hoewel allen het horen, hoort niet iedereen het op de- zelfde wijze. Mijn aanvankelijke zienswijze Ten eerste zijn er mensen, die altijd voordringen, altijd voor- aan staan, maar tot wie de bedoeling van het woord helemaal niet doordringt. Ten tweede zijn er mensen die het horen, even enthousiast worden, maar het weer loslaten, omdat zij de bete- kenis erachter, de diepgang niet kunnen volgen. Ten derde zijn er die het woord horen, er wel door worden gegrepen, maar zij hebben nog zó veel leukere andere dingen, waar ze vol van zijn. Ze kunnen hun gedachten er niet vrij voor maken. Ten vierde zijn er, die het horen, er door worden gepakt en het vasthouden. Bij hen ontkiemt iets, ze gaan er op door, ge- dachten komen tot bloei, en het houdt niet op. Toen ik later met mensen om moest gaan, kreeg ik door hoe goed deze gelijkenis van de zaaier is. Want wie kent ze niet: de mensen, die er niks van snappen, anderen die het half snappen of zij die niet echt aandacht voor je hebben en dan zijn er toch gelukkig nog een paar mensen, die het wel goed snappen. Ik moet eerlijk bekennen dat ik de gewoonte heb gekregen om mensen in hokjes in te delen. Of het nou familie of vrien- den zijn, mensen in de straat of op het werk, ze zitten overal, lieden, die met een totaal onbegrip voor wat jij zegt of doet, je de rug toe keren, links laten liggen, die niets van je goede be- doelingen willen weten en eigenlijk het liefst zichzelf horen. Of zij die half naar je luisteren, zonder echte interesse. Of hun hoofd staat er niet naar. Maar gelukkig zijn er altijd nog een paar mensen met wie je het goed kunt vinden, bij wie je je verhaal kwijt kunt. Daar voel je je thuis, respect, vriendschap, liefde. Een plek waar je jezelf durft te zijn, waar je je kunt ontplooien. Ik betrapte me erop dat ik eigenlijk alleen met die laatste groep wilde omgaan. Want bij al die andere groepen is het toch maar parels voor de zwijnen, nutteloos; en goed om daar- aan maar gauw voorbij te gaan. Alleen nog goed geaarde men- sen om me heen, ja. Ik vond het dan ook heel logisch dat soms de voorlaatste zin van de tekst van de zaaier als volgt werd voorgelezen: “Maar het óverige deel viel in goede aarde!” ... Natuurlijk. Niets liever dan dat! ... “Leg alles daar maar neer!” “Wie ...oren ...heeft ...hore!” 20 Reflectie 7(2) zomer 2010 Zie, een zaaier ging uit om te zaaien. En als hij zaaide, viel een deel van het zaad langs de weg; en de vogelen kwamen en aten datzelve op. En een ander deel viel op steenachtige plaatsen, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had; maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had, is het verdord. En een ander deel viel in de doornen, en de doornen wiesen op en verstikten hetzelve. En een ander deel viel in de goede aarde, en gaf vrucht, het een honderd-, het ander zestig-, en het ander dertigvoud. Wie oren heeft hore!
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=